
WILLEMSTAD – Curaçao groeit economisch, maar dat betekent volgens Robert ‘Makambi’ Flameling niet automatisch dat het eiland ook vooruitgaat. In deze opiniebijdrage pleit hij ervoor de Sustainable Development Goals niet langer als vrijblijvende ambitie te behandelen, maar als toetssteen voor beleid, economische ontwikkeling en de keuzes die Curaçao de komende jaren maakt.
Door | Robert ‘Makambi’ Flameling
Onlangs stond in een lokale krant een ingezonden tweeluik met als titel: Wanneer is genoeg genoeg voor Curaçao? Het toerisme bloeit, de economie trekt aan en de cijfers laten ons graag geloven dat we op de goede weg zijn. Maar wie iets verder kijkt dan de economische groeicijfers, ziet een ander Curaçao. Een Curaçao waarin de scheuren en barsten in onze samenleving steeds zichtbaarder worden.
Armoede. Ongelijkheid. Druk op de gezondheidszorg. Problemen in het onderwijs. Een gebrekkige afvalwaterhuishouding. Een kwetsbare energievoorziening. Aantasting van natuur en koraal. Toenemende druk op de ruimte en de kust. En een economie die steeds afhankelijker wordt van toerisme.
Terecht wordt de vraag gesteld: wanneer is genoeg genoeg?
Duurzame ontwikkeling
Maar misschien moeten we deze vraag nog verder doortrekken: groeit Curaçao eigenlijk wel vooruit? Want economische groei is niet hetzelfde als ontwikkeling. Een land kan rijker worden terwijl een deel van de bevolking arm blijft. Het aantal toeristen kan stijgen terwijl de leefbaarheid achteruitgaat. Het bruto binnenlands product kan groeien terwijl natuur, infrastructuur en sociale samenhang worden opgeofferd. Dat is precies waarom duurzame ontwikkeling al sinds 1987 een internationaal uitgangspunt is. Een oude boodschap die nog steeds actueel is.
In het Brundtland-rapport Our Common Future werd duurzame ontwikkeling gedefinieerd als ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Eigenlijk is dat helemaal geen ingewikkelde boodschap.
Het betekent simpelweg: gebruik vandaag niet alles op wat morgen ook nodig is. Sindsdien is die gedachte verder uitgewerkt in de 17 Sustainable Development Goals, de SDG’s, die de Verenigde Naties in 2015 vaststelden voor de periode tot 2030. Zij vormen een mondiale agenda waarin economie, sociale rechtvaardigheid en bescherming van het milieu met elkaar worden verbonden.
En juist daar wordt het interessant voor Curaçao. Want vrijwel alle problemen die in de tweeluik worden benoemt, zijn terug te vinden in de SDG’s. Armoede? SDG 1. Gezondheid? SDG 3. Onderwijs? SDG 4. Water en sanitatie? SDG 6. Energie? SDG 7. Werk en economische groei? SDG 8. Ongelijkheid? SDG 10. Duurzame steden? SDG 11. Klimaat? SDG 13. Onze zee en koraalriffen? SDG 14. Onze natuur en biodiversiteit? SDG 15. Sterke instituties en justitie? SDG 16. Met andere woorden: de routekaart ligt er al.
Het merkwaardige is dat we vervolgens doen alsof we de weg nog moeten uitvinden. Groei als doel of als middel? Het probleem zit misschien wel in onze definitie van succes. Als het aantal hotelkamers groeit, is dat economische groei. Als er meer toeristen komen, is dat economische groei. Als er meer restaurants en winkels bijkomen, is dat economische groei.
Maar wat als tegelijkertijd de verkeersdruk toeneemt, het afvalprobleem groter wordt, de druk op water en energie stijgt, de kust verder wordt volgebouwd en de natuur steeds meer terrein verliest? Is dat dan nog steeds groei of vooruitgang? En wie profiteert uiteindelijk van die groei?
Een duurzame economie betekent niet dat Curaçao niet mag groeien. Integendeel. Maar groei moet een middel zijn en geen doel op zichzelf. Economische ontwikkeling moet bijdragen aan een betere samenleving en mag niet ten koste gaan van de natuurlijke en sociale basis waarop die economie uiteindelijk zelf is gebouwd. Een toeristische economie die haar eigen kust, natuur en leefbaarheid aantast, eet uiteindelijk haar eigen kapitaal op.
We hebben de organisaties al
Het goede nieuws is dat Curaçao niet met lege handen staat. De overheid beschikt al sinds 2020 over een Nationale Commissie voor Agenda 2030 en de Sustainable Development Goals. In maart van dit jaar overlegde minister-president Pisas nog met deze commissie, het secretariaat, de Statistische Commissie en de subcommissies voor People, Planet en Prosperity.
Ook bestaat er een ambtelijke structuur waarin verschillende ministeries samenwerken aan de SDG’s. Het CBS kan vervolgens de noodzakelijke gegevens leveren om te bepalen of we daadwerkelijk vooruitgaan.
En buiten de overheid gebeurt eveneens het nodige. Bijvoorbeeld, Club17 Curaçao brengt bedrijven, overheid, NGO’s en andere organisaties bij elkaar en gebruikt de SDG’s als gemeenschappelijke taal en kompas. Inmiddels worden ook jongeren structureel bij de SDG-agenda betrokken via de Raad van 17, samen met de University of Curaçao. Het probleem is dus niet dat er niets gebeurt. Het probleem is dat te weinig mensen weten dát het gebeurt, wat er gebeurt en vooral wat het oplevert. Dat moet veranderen.
Van mooie woorden naar harde keuzes
Curaçao heeft nog maar een paar jaar tot 2030. De tijd van vrijblijvendheid is daarom voorbij. De SDG’s moeten niet langer worden beschouwd als een interessante internationale agenda die ergens naast het reguliere beleid bestaat. Zij moeten het kompas van dat beleid worden. Iedere grote overheidsbeslissing zou eigenlijk dezelfde eenvoudige vragen moeten beantwoorden: Aan welke SDG’s draagt dit bij? Wat is het concrete resultaat? Hoe wordt dat gemeten? En wat zijn de gevolgen als we niets doen?
Dat geldt voor een nieuwe toeristische ontwikkeling, maar net zo goed voor infrastructuur, woningbouw, energie, onderwijs, gezondheidszorg en natuurbeleid. En als een project aantoonbaar bijdraagt aan economische groei maar tegelijkertijd ernstige schade veroorzaakt aan natuur, leefomgeving of sociale samenhang, moeten we niet automatisch concluderen dat het project goed is omdat het geld oplevert. Dan moeten we eindelijk de moed hebben om nee te zeggen. Dat is de werkelijke betekenis van “genoeg is genoeg”.
Niet alleen de overheid is aan zet
Maar laten we niet doen alsof alleen de overheid verantwoordelijk is. Ook het bedrijfsleven moet kleur bekennen. Wat doet een hotel met zijn afvalwater? Hoeveel energie wordt duurzaam opgewekt? Hoe wordt met water omgegaan? Wat gebeurt er met afval? Hoeveel lokale werknemers profiteren daadwerkelijk van de toeristische economie? En welke bijdrage levert een onderneming aan de gemeenschap waarin zij haar geld verdient? Duurzaamheid kan geen marketingterm worden waarmee een bedrijf zichzelf een groen imago aanmeet. Het moet zichtbaar worden in resultaten.
Daarom is transparantie essentieel. Het CBS kan de ontwikkeling van de SDG-indicatoren volgen. De overheid moet daarover regelmatig en begrijpelijk rapporteren. De media kunnen vervolgens doen wat media horen te doen: de cijfers onder de aandacht brengen en bestuurders en bedrijven ter verantwoording roepen. Niet alleen vertellen hoeveel toeristen er zijn gekomen, maar ook wat die groei betekent voor water, energie, natuur, infrastructuur en de bevolking. Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoeveel Curaçao groeit. Het gaat om de vraag wat er door die groei beter wordt.
De keuze is aan ons
In 2030 zullen we kunnen terugkijken en vaststellen dat we prachtige beleidsdocumenten hebben geschreven, commissies hebben ingesteld, vergaderingen hebben gehouden en duurzame ambities hebben uitgesproken, maar de gestelde doelen niet gehaald. Of we kunnen constateren dat we daadwerkelijk iets hebben veranderd. De SDG’s geven ons daarvoor een bruikbaar kader. De organisaties en kennis zijn er. Ook maatschappelijke initiatieven zijn er. Zelfs jongeren worden inmiddels actief betrokken.
Wat nog ontbreekt, is vooral de politieke en maatschappelijke urgentie om van woorden daden te maken. Curaçao hoeft niet te kiezen tussen economie en natuur. Niet tussen toerisme en leefbaarheid. Niet tussen welvaart en sociale rechtvaardigheid. Maar we moeten wel kiezen voor een economie die de samenleving dient, in plaats van een samenleving die steeds verder wordt aangepast aan de eisen van de economie. Dus ja, Curaçao groeit.
De echte vraag is alleen: Groeien we ook vooruit? Als we die vraag eerlijk durven beantwoorden, komen we vanzelf uit bij de vraag waarmee het allemaal begon: Wanneer is genoeg genoeg? Misschien is het antwoord eenvoudiger dan we denken. Genoeg is genoeg zodra méér ons uiteindelijk minder oplevert.




































